Onderzoek naar Online Burgerparticipatie in Nederland

Er was een tijd dat werd gedacht dat Internet een democratisering in de journalistiek zou teweeg brengen. Het valt niet te ontkennen dat de burgerjournalistiek het monopolie van de ‘mainstream media’ heeft doorbroken, maar zijn de hoge verwachtingen in participatieve media ook ingelost?   Een begin van antwoord – voor Nederland althans – vinden we in het empirisch onderzoek van promovendus Tom P. Bakker aan de Universiteit van Amsterdam: ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’. We leggen het onderzoek op de rooster.

BurgerJounalistiek

Het onderzoek

Hoge en lage verwachtingen in participatieve media

Heeft  er zich dank zij burgerparticipatie een machtsverschuiving voorgedaan in de media, zoals Jay Rosen (2006) voorspelde?  Zijn de vroegere passieve nieuws consumenten nu een belangrijke nieuwsbron geworden, om met Dan Gilmor (2004) te spreken. Is top-down journalistiek nu vervangen door ‘conversatie’ en ‘dialoog’ zoals Mark Deuze (2004) het formuleerde? (p. 22-23)

Vanuit de hoek van de professionele journalistiek werd de kwaliteit van burgerjournalistiek dan weer fel in vraag gesteld. Professionele journalisten voelden zich bedreigd. Maar sedert ‘Flat Earth News’ van  Nick Davies weten we dat het met kwaliteit van de professionele journalistiek ook maar povertjes gesteld is. De toegenomen werkdruk maakt onderzoeksjournalistiek quasi onmogelijk.

Empirisch onderzoek dan maar

Internet, of Web 2.0,  heeft in alle geval de drempel verlaagd om deel te nemen aan het publiek en politiek discours. Maar het bewijs dat burgers ook meer participeren bleef beperkt tot beloftes in pamflettaire stijl, een hoop case-studies en anekdotiek, volgens Tom Bakker (Hoofdstuk 1, p. 10-11). In Europa ontbrak het aan systematisch empirisch onderzoek. Enkel in de VS werd dat onderzoek wel al gedaan door het PEW Research Centre.  Maar Amerika is Europa niet, betoogt hij. (p. 24-26)

In 2011 hadden 93,6% van de Nederlandse gezinnen internet toegang, in de VS 76% en in België 76,5%. Naast deze hoge penetratiegraad vermeldt de onderzoeker de polarisatie van het debat rond de migratie als belangwekkend fenomeen.  Deze context laat hem besluiten dat Nederland een excellente casus is om de ontwikkeling van participatieve media te onderzoeken in Europa. (p 11-12; p. 27).

De onderzoeksvragen

De vragen die hij zich daarbij stelde waren: Hoeveel mensen participeren daadwerkelijk en hoe dikwijls is die participatie politiek?  Wat zijn de kenmerken van deze burgerjournalisten? Welke persoonlijkheid hebben ze?  Welk content publiceren ze? Waarom publiceren ze die? En wat is hun perceptie van het effect? (p. 26)

De eerste vraag wordt in Hoofdstuk 2 behandeld, en dat kunnen we uitvoerig bespreken, maar van het antwoord op de andere vragen hebben we spijtig genoeg nog geen detail, aangezien Hoofdstuk 3, 4 en 5 nog onder embargo staan tot 26 februari 2014. De auteur is niet meer bereikbaar op de UvA. Hij werkt intussen bij TNO, dus houden we het voorlopig bij eerste twee hoofdstukken. Maar hoofdstuk 2 bevat voldoende interesante resultaten om te bespreken.

Opinieonderzoek bij de Nederlandse bevolking

De methode die Tom Bakker gebruikt is het opinieonderzoek. Dit werd uitgevoerd in December 2009 door TNS NIPO bij 2130 respondenten. Ze werden bevraagd over hun gebruik van blogs, Twitter, forums, sociale netwerken, commentaar mogelijkheden op blogs en nieuws sites. Men vroeg hen ook hoe dikwijls ze suggesties, reacties of tips opstuurden naar bloggers of nieuws organisaties. En de frequentie waarmee ze foto’s en video’s op het Web plaatsten.

Voor elke activiteit wou men ook weten of het om passieve consumptie ging of om actieve deelname. En de hamvraag daarbij was of het om algemene informatie ging of om politieke kwesties. De frequentie werd gemeten met als mogelijke antwoorden: nooit, eens per jaar, ongeveer eens per maand, enkele malen per maand, eens in de week, enkel malen per week of dagelijks. Dit waren al 24 vragen. Bijkomend  werd gepeild naar de redenen van niet participatie met een lijst van elf suggesties plus de mogelijkheid dit zelf aan te geven.

Voor alle respondenten werden gender, leeftijd en opleiding (laag/hoog) genoteerd.  Om onderliggende patronen in verband met participatie te achterhalen werd gepeild naar hun gebruik van nieuwsmedia, media cynisme, politiek cynisme, Internet vaardigheden, interne en externe voordelen die ze erbij hadden, politieke belang, politieke betrokkenheid, politieke oriëntatie en hoe vaak ze gingen stemmen. (p. 27-29)

Passieve consumptie en actieve politieke inbreng online

Het opinieonderzoek dateert van eind 2009, maar de data over de motivaties van de bloggers uit 2011. Sedert is er een en ander veranderd. Het gebruik van Twitter en van sociale media is drastisch toegenomen. Comments, fora en blogs waren toen wel al algemeen. Rekening houdend met deze beperkingen halen we enkel de algemene trends uit de studie.

76,3% van de ondervraagden leest nooit over politiek online, 94,2% komt ook nooit tussen over politieke kwesties online (p. 30-31).

Zie ook onderstaande tabel.

Tzble_4

 

Privacy matters, zo blijkt

Nummer één met voorsprong om niet zelf actief bij te dragen online is:

 “Ik ben bezorgd om mijn privacy”

De zelfcensuur heeft zich ook online  geïnstalleerd.  Mensen durven zich niet bloot geven online.  De personeelschef leest mee over de schouder… of ze vrezen er op aangekeken te worden bij sollicitaties. De angst regeert.

Andere redenen die werden gekozen om niet zelf actief deel te nemen zijn:

“De meeste bijdragen en discussies leiden nergens heen”, “Ik druk me liever op andere manieren uit”, “Het kost te veel tijd en energie’”en “Ik vind de discussies grof” Maar tegen alle verwachtingen wordt Internet geletterdheid  het minst als excuus gebruikt. (p. 34).

Nochtans komt de 6% actieve politieke participanten overeen met het percentage hoge internet vaardigheid dat we vonden in het ITU rapport van 2012. Het lijkt alsof de ondervraagden zich schamen voor hun gemiddelde tot lage vaardigheid. Verschillende onderzoeken (Digivaardig & Digibewust, KNAW) wijzen er trouwens op dat Internet vaardigheden zelfs bij ‘digital natives’ veel lager zijn dan algemeen aangenomen. Werk aan de winkel in het onderwijs alvast, want verschil in vaardigheden internetgebruik leidt tot nog meer verschil, ook in België.

Wie zijn de actieve  participanten?

De actieve gebruikers van participatieve media zijn meestal jonger, mannelijk en hoog opgeleid. Het zijn begerige consumenten van nieuws, ze praten meer over politiek, nemen stemmen ernstig, ze zijn zelfbewuster en vinden zichzelf politiek competenter en ze beschikken over meer internet-vaardigheden vergeleken met degenen die geen participatieve media gebruiken.

Qua politieke oriëntatie verschillen ze niet van de niet gebruikers. Uit een uit de regressie analyse komen Internet vaardigheden, politieke interesses, politieke activiteit  wel naar voor als significante voorspellers van participatief media gebruik. Dit geldt ook voor media cynisme en ‘er zelf voldoening aan hebben’. (p. 31-33).

Het gemeten bereik van online politieke participatieve media is hoogstens  23,7% van de Nederlandse bevolking, deelname hoogstens 5,8%. Een bedreiging voor de professionele journalistiek zijn burgerjournalisten nooit geweest en dat was ook niet de bedoeling. Er was wel de terechte onvrede met de ‘mainstream media’ en dat blijkt ook een motief te zijn. In een interview stelt de auteur:

“Maar ik denk dat journalisten juist in hun handjes mogen knijpen dat ze uit die verschillende bronnen kunnen putten voor hun verslaggeving. Dat nieuwsmedia, en dan met name kranten, het zwaar hebben heeft eerder te maken met teruglopende advertentie-inkomsten en de voortdurende zoektocht naar werkende business-modellen voor hun verschillende digitale platforms.”

Daaruit concluderen dat online participatieve media geen invloed van betekenis hebben in het politieke landschap is echter te snel gedacht. Inzoomen op de 6% politiek actieve in participatieve media zou daarover meer duidelijkheid brengen.  De auteur vraagt zich af wat de invloed is van de actievelingen, maar geeft daarop geen antwoord (p. 36) Het antwoord zullen we elders moeten zoeken.

Bedenkingen

Historische dynamiek ontbreekt

De geschiedenis van het Europese Internet begint in 1988. Nederlandse wetenschappers aan het CWI in Amsterdam speelden daarin een prominente rol. Nlnet was de eerste Internet backbone in Nederland. In 1997 werd Nlnet verkocht aan het commerciële UUNET een dochter van Worldcom, nu onderdeel van Verizon.

Maatschappelijk gebruik van Internet startte al rond 1990 in Nederland. Naast, en dikwijls via, het academisch netwerk timmerden APS, Noticias, Hack-Tic en Antenna in Nijmegen, NoPapers in Utrecht en SociaMedia en Ander Nieuws Netwerk in Den Haag aan de weg (Polman  en van der Pouw Kraan, 1994).

Deze activisten ontmoeten elkaar op reguliere bijeenkomsten van de Association for Progressive Communications  en op meer informele manifestaties zoals  Galactic Hackerparty (1989), Next5Minutes (1993), Hackers and the end of the universe (HEU, 1994).

Op 1 mei 1993 nam Hack-Tic het initiatief om XS4ALL, de eerste publieke internetprovider van Nederland, op te richten. Op 15 januari 1994 volgde De Digitale Stad Amsterdam. DDS stelde  toegang tot internet, een email account en ruimte voor een homepage gratis ter beschikking. Dit project kreeg enkel in de eerste tien weken  financiële steun van het stadsbestuur maar moest daarna zichzelf bedruipen.

In 1995/96 werd DDS in twee stukken opgedeeld: een zakelijk deel dat voor de inkomsten zorgde en een publiek gedeelte waar vanuit de voorzieningen voor de leden werden geleverd.

In 1999 eindigt dit experiment toen DDS werd opgekocht door het management. Een deel van DDS werd in 2000 verkocht aan de Britse Telecom- en internetbedrijf Energis. Na de ondergang van de oude DDS is De echte Digitale Stad (DeDS), opgericht met de bedoeling de taken en doelstellingen van de oude DDS voort te zetten. Het werkt volledig op basis van vrijwilligers en het bestaat nog altijd.

In de VS zien we een gelijkaardige ontwikkeling . Wat aanvankelijk een publieke dienst was wordt overgedragen aan de private sector. In 1995 ontmantelt  de National Science Foundation haar backbone  NSFNET draagt die over aan verschillende commerciële backbones. Die laatste draaiden wel nog op NFSNET software. (Samuelson en Varian, 2001, p. 3) Deze door de Clinton administratie gedirigeerde overname is het begin van de commercialisering van ‘public domain’ research.

Over die vroege geschiedenis van het Net, waar cyberactivisten werkten aan de democratisering van communicatie- en informatiestromen met behulp van computers, vind je niets terug in het proefschrift van Tom Bakker. Zijn studie begint pas in het derde millenium. Toen was de Internetzeepbel, een hausse van 1997 tot 2000, al lang gebarsten. De beurs had het Net definitief  overgenomen van de pioniers en de basis-bewegingen. Het Internet was definitief veranderd van een publieke dienst naar een commercieel netwerk.

De wil tot democratisering is altijd al aanwezig geweest op het Net en is ook telkens weer tegengewerkt en door overheden en zakenwereld.  Daarin verschilt de virtuele wereld niet van de reële wereld.  Initiatieven aan de basis van de maatschappij worden daar ook gerecupereerd door politici en zakenlui. Maar ook telkens onstaan er nieuwe initiatieven die tegen deze normalisatie en controle ingaan. Uitzicht op en inzicht in deze historische dynamiek ontbreekt in het proefschrift.

Onderzoek staat los van de machtsstructuren

In het opinie-onderzoek bleek de belangrijkste rem voor online burgerparticipatie ‘de bezorgdheid voor de privacy‘ te zijn (Bakker, 2013, p. 34). Sedert  Internet is maatschappelijke controle alleen maar toegenomen. De democratische rechten verdwijnen de een na de ander in een zwarte doos. En dat maakt veel mensen minstens toch zeer voorzichtig of angstig.

Om de integriteit van burgers te beschermen tegen alle vormen van mogelijke chantage in de toekomst is een strikter privacy-beleid nodig. Maar dit gevecht met Google, Facebook, DGSE, GCHQ… en de NSA lijkt meer op ‘pompen of verzuipen‘.

De Liga voor Mensenrechten in België vreest terecht voor “de veramerikanisering van privacy” sedert de omzetting op 18 juli 2013 van de Europese databewaringsrichtlijn naar nationale wet. In Nederland is de datretentierichtlijn al in 2009 omgezet in wetgeving. De Liga voor Mensenrechten schrijft:

“De algemene bewaarplicht schendt het recht op privacy en vertrekt van de idee dat elke burger potentieel gevaarlijk is door iedereen te onderwerpen aan het preventieve toezicht van de overheid.”

“Als er afstand wordt gedaan van het rechtsprincipe dat mensen als onschuldig worden beschouwd tot het tegendeel is bewezen, komen we terecht in een samenleving die haar eigen burgers wantrouwt in plaats van ze te beschermen.”

De invloed van de institutionele structuren op bewegingsruimte van de burgers kan niet duidelijker geïllustreerd worden. Politici hebben hun mond vol over de bescherming van de burgers, maar ze laten die burgers op cruciale momenten in de steek. De rol en invloed van de verschillende overheden, de politieke klasse en economische machtscentra vallen buiten het onderzoek van Tom Bakker.

In een onderzoek naar burgerparticipatie zou men minstens de vraag moeten stellen of de politieke en economische macht die participatie wenselijk vindt of niet. Hoe ze die participatie stimuleert of integendeel burgerinitiatieven drooglegt of in de kiem smoort. Welke wel, welke niet?

Dan Gillmor, Jay Rosen en anderen in de blogwereld verwachtten  van Web 2.0 democratisering van de media en een vermindering van de macht van de ‘mainstream media’ die gecontroleerd werden door een machtig oligopolie ten voordele van de burgers. Maar in 2005 nam Yahoo Flickr over en in 2006 nam Google Youtube over. De oorspronkelijke onafhankelijke platforms zijn intussen – met uitzondering van Wikipedia – in handen van een kleine groep bedrijven: Google, Amazon, Yahoo en Facebook.

Werkelijkheidsvreemd empirisme en psychologisering

In hoofdstuk drie stelt de onderzoeker na verdere analyse van de resultaten van het opinie-onderzozk dat burgerjournalisten eerder een extraverte en open persoonlijkheid hebben. (Bakker, 2013, p. 136)

Los van de vraag of het opinie-onderzoek van Tom Bakker gedateerd is – het werd uitgevoerd in 2009 en 2010 – is elk opinie-onderzoek slechts een momentopname. Opinie-onderzoek registreert opinies, geen menselijke activiteiten in hun maatschappelijke context.

De achterliggende institutionele structuren, en hoe die de respondenten, en eventueel ook hun antwoorden, beïnvloeden leren we zo niet kennen. Intussen  heeft het wel de pretentie de persoonlijkheid van de politieke bloggers te kunnen blootleggen.

C. Wright Mills noemde deze sociologische methodiek werkelijkheidsvreemd empirisme:

“Het schema van zulke studies bestaat uit de meest eenvoudige classificatie van vragen: wie zegt wat tegen wie via welke kanalen en met welk resultaat?” (Mills, 1959, p. 58)

Het persoonlijkheid onderzoek in hoofstuk drie maakt van een politieke activiteit een individueel psychologisch fenomeen. In plaats van de  sociale en politieke beperkingen te duiden, volgt de auteur de procedure van een selectiebureau. In de context van bloggers die net vrezen voor hun privacy is dit wel bijzonder ironisch. De sociale betrokkenheid is ver te zoeken.

Sociologisch onderzoek losgekoppeld van elke sociale en politieke achtergrond isoleert individuen en de sociale problemen die ze hebben. Het herleidt de oplossing van die problemen tot een gebruiksaanwijzing voor politici, de overheid en de machtselite. Het laat hen toe  manipulatie-technieken te verfijnen en de bureaucratie beter te laten draaien (Mills, 1959, p. 109-128).

De nodige  competenties voor online participatie blijven onderbelicht

Het lijkt mij onbegonnen werk om aan de hand van een opinie-onderzoek het gebrek aan opleiding te onderzoeken bijvoorbeeld. Het onderzoek stelt alleen vast dat de actieve gebruikers van participatieve media meestal jonger, mannelijk en hoog opgeleid zijn. (Bakker, 2013, p. 31).

Nergens wordt de vraag gesteld hoe dat komt. Daarvoor is praktijk-onderzoek nodig. Hoe kunnen de respondenten weten wat ze niet weten, wat zij niet kunnen en waarom zij dat niet kunnen? En ook als ze zich wel van een en ander bewust  zijn, ligt het niet voor de hand om daarmee te koop te lopen. Enkele praktijk-onderzoeken hieronder zijn zeer verhelderend.

In 2008 onderzocht Alexander van Deursen  het niveau van internet-vaardigheden van de Nederlandse bevolking via registratie van opgelegde taken. Uit dat onderzoek  blijkt dat het bij ouderen schort aan de medium-gerelateerde vaardigheden, operationele en formele vaardigheden.

Bij jongeren is het beter gesteld met de medium-gerelateerde vaardigheden, maar blijven de inhoudelijk gerelateerde vaardigheden, informatievaardigheden, achter op die van de ouderen.

De verrassende conclusie is dat ouderen die de techniek van internetten beheersen inhoudelijk hun weg beter vinden dan jongeren. De grootste verschillen bij alle soorten vaardigheden zijn echter waar te nemen tussen lager en hoger opgeleiden.

 

De kloof met de hoog opgeleiden is aanzienlijk. In plaats van de verschillen uit te vlakken accentueert Internet dus de bestaande verschillen.

Het ‘Trendrapport Computer- en Internetgebruik’ vindt in 2011 gelijkaardige resultaten voor de 27 EU landen.

In 2012 publiceert de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen dan ook een aanbeveling om ernstig werk te maken van digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs.

Wat we telkens weer zien in de evolutie van online netwerken

Tenslotte vernemen we in het onderzoek van Tom Bakker ook niet waarom Dan Gillmor de bal missloeg toen hij de hemel beloofde aan ‘citizen journalism’.

Wat we telkens weer zien in de evolutie van online netwerken is dat ze hun beloftes nakomen zolang ze klein blijven. Eens ze snel beginnen te groeien gaan de oorspronkelijke doelstellingen verloren.

Deze groei botst met de beperkingen van het menselijk brein. De antropoloog Dunbar kwam aan een gemiddeld maximum van 150  personen met wie een mens een betekenisvolle relatie kan onderhouden. Ons geheugen kan er niet mer opslaan.

Deze beperking aan gemeenschappen hebben we geërfd  van onze voorouders, de primaten. In kleinere groepen, konden primaten samenwerken om problemen op te lossen en roofdieren te ontwijken. Dunbar onderzocht deze beperking ook voor Facebook en kwam daar tot dezelfde resultaten. Een analyse van de conversaties van 1,7 individuen op Twitter  komt tot dezelfde resultaten.

Geraadpleegde bronnen

Bakker, Tom. P., 2013, ‘Citizens as political participants: The myth of the active online audience’, UvA, Amsterdam

Brotcorne, Périne, Mertens, Luc en Valenduc, Gérard, 2009, ‘Offline jongeren en de digitale kloof: Over het risico op ongelijkheden bij “digital natives”‘, POD Maatschappelijke integratie

Corten, Maarten , Opgenhaffen, Michael en d’Haenens, 2010, ‘Journalistieke competenties in Vlaanderen: een crossmediale competentiematrix

Costera Meijer, Irene en anderen, 2010, ‘Een leesbare wijk, De impact van wijktelevisie‘, Zwolle: Lectoraat Media & Civil Society

Costera Meijer, Irene en Arendsen, Jolien, 2010, ‘Succesvolle participatieve journalistiek: faciliteren in plaats van reguleren’, De Nieuwe Reporter

Christensen, Christian, 2010, ‘Three digital myths‘, Le Monde Diplomatique

Digivaardig & Digibewust, 2011, ‘Trendrapport Computer- en Internetgebruik

Dunbar, Robin M., 1998, ‘The Social Brain Hypothesis‘, Evolutionary Anthopology

Gillmor, Dan, 2004, ‘We the Media: Grassroots Journalism by the People, for the People‘, O’Reilly Media

Hahn, Nadja, 2013, ‘What good is Twitter: The Value Of Social Media To Public Service Journalism’, EBU

Hargittai, Eszter, Fullerton, Lindsay, Menchen-Trevino, Ericka, en Yates Thomas, Kristin, 2010, ‘Trust Online: Young Adults’ Evaluation of Web Content‘, NorthwesternUniversity

Huberman, Bernardo A., Romero, Daniel M. en Wu, Fang, 2011, ‘Social networks that matter: Twitter under the microscope’, uk.arXiv.org, CornellUniversity

ITU,  2012, ‘Measuring the Information Society

KnoopPunt vzw, 1992, ‘Algemene Doestellingen en Verantwoording’, Privé archief

KNAW, , 2012, ‘Digitale Geletterdheid in het Voortgezet Onderwijs’

Kraut, Robert,  Michael Patterson, Vicki Lundmark, Sara Kiesler, Tridas Mukopadhyay, and William Scherlis, 1998, ‘Internet Paradox: A Social Technology That Reduces Social Involvement and Psychological Well-Being?’, Carnegie Mellon University

Mills, C.Wright, 1956, ‘The Structure of Power in Americal Society’, New York City: OxfordUniversity Press

Mills, C. Wright, 1959, ‘De Sociologische Visie’, Aula, Utrecht, Antwerpen, Vertaling van originele versie Oxford University Press

Polman, Michael en van der Pouw Kraan, Peter, 1994, ‘Van Bolwerken tot Netwerken’, ISBN 90-72768-38-8

Reuters Institute for the Study of Journalism, 2012, ‘Digital Report of Reuters Institute for the Study of Journalism’,

Samuelson, Pamela en Varian, Hal R., 2001, ‘The “New Economy” and Information Technology Policy’, University of California, Berkeley

Sigman, Aric, 2009, ‘Well Connected? The biological implications of social networking‘, Biologist

Soete, Han, 2011, ‘1 jaar DeWereldMorgen.be’, gepubliceerd op 23 maart 2011, op De Wereld Morgen

van Deursen, Alexander, 2008, ‘Digitale vaardigheden van Nederlandse burgers‘, Scientific Report Series Enschede, April 2008 Universiteit Twente